woensdag 27 februari 2013

Contrast

Als ik deze ochtend kom aanrijden in mijn straat, staat er een grote bestelbus voor de deur.
Hij is van de thuiszorg en ik kan er nog net voorlangs om in te parkeren.
De bestuurder staat grijnzend naast zijn wagen toe te kijken.
Dat komt omdat ik zo'n leuke auto heb.
Tenminste, dat blijkt telkens.
Mijn oude Renaultje 4 brengt bij veel mensen nogal wat nostalgische gevoelens boven.
Overal waar ik kom grijnzen mensen naar me zoals hij dat nu doet.
En krijg ik leuke opmerkingen en verhalen over "mijn eerste auto, was er ook zo één!" of "mijn vader had die ook!"
Zo wederom deze ochtend.
Ik vind het altijd wel gezellig.
Mijn koekblik bezorgt mensen een vrolijk moment en dat voelt goed.
Hij gluurt naar binnen en lacht naar de schakelpook.
Die zit midden voor in het dashboard.
Prachtig vindt hij het, hij maakt een "ouderwetse schakelbeweging" naar me en ik lach terug.

Zijn collega heeft ondertussen bij mijn bejaarde buurvrouw aangebeld.
Ze komen het bed brengen voor haar man.
Voor in de woonkamer, want lopen gaat niet meer.
Als ik haar vraag hoe het gaat schudt ze haar hoofd.
De woorden "uitzaaiingen in de rugwervel" doen mij uit ervaring beseffen dat mijn vriendelijke buurman in zijn slechtste stadium beland is.
Het zal niet lang meer duren en zij weet het ook.
Daar staan we, allebei met tranen in de ogen, tegenover elkaar.
Haar levensgezel gaat binnenkort dood.
Na 55 jaar samen gaat ze straks achterblijven zonder hem.
Het breekt mijn hart als ik haar zo ontredderd zie staan.
Achter ons langs worden bed-onderdelen naar binnen gesjouwd en in elkaar gezet.
Door twee aardige kerels, die mijn auto leuk vinden en straks aan de koffie gaan.
En dan naar het volgende adres.
Zou de grijnzende thuiszorger zich weleens afvragen hoeveel sterfbedden hij al afgeleverd heeft?
Daar moet hij maar niet te vaak bij stilstaan.






maandag 4 februari 2013

De man die snot schoot

Erg.
Met een mand vol boodschappen fiets ik over de Kruisstraat, op weg naar huis.
Een oude man rijdt in tegengestelde richting en is een paar meter van mij verwijderd,
wanneer hij even naar rechts buigt met zijn bovenlijf.
Zijn vinger op zijn linker neusgat zet.
En de inhoud van zijn rechter met een flinke snuif naar buiten schiet.
Met zijn bejaarde blik op nul fietst hij rustig verder.
Zich totaal niet bewust van zijn onpasselijk makende aktie.

Erger.
Een paar maanden geleden.
Ik sta stil voor een stoplicht, met één dochter achterop en één op haar fiets naast me.
Vlak schuin achter ons zie ik vanuit mijn ooghoek, hoor ik vanuit mijn oorhoek, een snuitgeluid.
Snotschieterij, in de wachtrij voor het stoplicht.
Met ons op een halve meter afstand.
Ik kijk om en constateer tot mijn stomme verbazing dat het hier een vrouw betreft.
Een oude weliswaar, wil misschien toch iets zeggen.

Ergst.
Een jaar of tien geleden.
Ik ben zwanger van mijn eerste dochter.
In een vroeg stadium en enorm gevoelig voor van alles en nog wat.
Sterke geuren en smaken kunnen mij op slag misselijk maken.
Maar als ik op een middag door de stad wandel en een kerel zich recht voor mij even ontdoet van zijn neusinhoud, midden op straat, merk ik dat ook dat op mijn maag werkt.
Ik zie die lange, groene fluim uit zijn gezicht schieten.
Vlak voor mij kletst het neer op de tegels.
Hij wandelt verder, laat zijn lichaamsslijm met een gerust hart bij mij achter.
Terwijl ik daar sta te kokhalzen, midden op straat.

Die laatste man was overigens niet oud, maar ik denk toch dat bovenstaande drie personen iets gemeen hebben.
Het is niet persé een mannending, blijkbaar zijn er ook vrouwen die dit doen.
Maar ik denk dat ze alledrie alleen wonen.
En niet zomaar alleen, maar al behoorlijk lang alleen.
Als je lang alleen woont ontwikkel je soms gewoontes die je beter voor jezelf kan houden.
Die ontstaan omdat er nooit iemand in huis is die jou op je onsmakelijke gedrag aanspreekt.
Dan moet je uitkijken dat zo'n gewoonte er niet af en toe per ongeluk "en plein public" uitkomt.
Letterlijk, in dit geval.

Ik heb gelukkig mijn kinderen.
Wij wijzen elkaar op nare gewoontes.
Maar wat nou als ze straks het huis uit zijn?
En ik er alleen voor sta?
Laat mij dan geen snotspuitster worden, in hemelsnaam.
Zo iemand die totaal geen notie meer heeft van hoe ze overkomt op anderen.
Helemaal in haar eigen wereld leeft en zich in haar medemens niet meer interesseert.
Ik schrijf het nu vast op.
Ik word geen snotspuitster.
Ik trek mij iets aan van anderen.
Voor altijd.

Snif.







woensdag 30 januari 2013

La dolce vita


Het is een zwaar bewolkte namiddag in Rome.
Regen klettert eindeloos op de eeuwenoude straatstenen.
De jonge vrouw heeft zich warm aangekleed.
Ze draagt een paraplu.
Met stevige passen loopt ze door een smalle winkelstraat, die uitkomt aan de Campo de' Fiori, waar de bloemenmarkt net ten einde loopt.
De kasseien vormen kuilen en hobbels door al die miljoenen stappen die er al op gezet zijn.
Haar schoenen zijn niet waterdicht, ze baant zich een weg en probeert de vele plassen te omzeilen.

Hij staat in de deuropening van zijn winkel, wanneer zij hem passeert.
Zijn oog valt op haar, zij kijkt dromerig voor zich uit en merkt niet op hoe ze hem fascineert.
Hij wil met haar praten, besluit haar te volgen.
Dus steekt hij zijn paraplu op en loopt met haar mee.
Ze heeft hem nog altijd niet opgemerkt, hij houdt wat afstand.
Wachtend op het juiste moment om haar aan te spreken.
Als ze het marktplein bijna voorbij is waagt hij het erop.

In dromen verzonken wandelt ze door de regen als ze plotseling zijn stem hoort.
Wanneer ze opkijkt loopt hij naast haar, verschijnt zijn gezicht vanonder zijn paraplu.
Een lange, slanke jongeman kijkt haar vriendelijk aan.
Zijn ogen hebben dezelfde zeegroene kleur als de hare.
Ze staan stil, tegenover elkaar.
Voorzichtig vraagt hij waar ze vandaan komt, waarheen ze gaat.
Ze is gecharmeerd van zijn moed, om haar zomaar te benaderen.
Het verbaast haar niet dat hij haar mee vraagt voor een drankje.
Thee, het klinkt zo schattig en onschuldig.
Het is maar koud en nat en ze heeft de tijd, dus waarom eigenlijk niet?
Dus stemt ze in en wandelen ze samen verder.

De ruimte is warm ingericht, met zachte banken en sfeervol licht.
Het lijkt een soort oud klooster, verbouwd tot bar.
Ze praten, stellen elkaar vragen, leren elkaar kennen.
Hij is Joods en gelooft in de hemel.
Zij gelooft in haar goedheid en vindt dat voldoende.
Ze zegt dat hij dus niet met haar mag trouwen.
Hij lacht en schudt zijn hoofd.
Ze drinken thee.
Ze vinden elkaar leuk.
Soms valt het gesprek even stil en vangen hun blikken elkaar.
Soms raakt hij haar zachtjes aan, of veegt hij een lok uit haar gezicht.
Soms kussen ze elkaar, hij had gevraagd of het mocht.
Ze vond dat het mocht.

Het is twee uur later als ze afscheid nemen.
Hij moet terug naar zijn winkel, zij heeft een afspraak met vrienden in een bar.
Buiten is het inmiddels donker, de regen stroomt nog altijd door.
Rome lijkt natter dan ooit, maar het geeft ze niet.
Een stukje lopen ze met elkaar op.
Wijst hij haar de kortste weg.
Na een laatste kus zeggen ze gedag.

Ze kijkt nog één keer om.
Hij ook, ze lachen en zwaaien naar elkaar.
Dan loopt ze door, op weg naar de bar.
Waar vrienden haar verwachten.
Waar haar leven, dat zojuist twee uren stil heeft gestaan, gewoon weer in gang wordt gezet.
Alles is nog precies zoals het was.
Alleen in haar hoofd is het even anders.
Verwonderd over de onverwachtheid van sommige belevenissen.
En de magie die kan ontstaan als je je mee durft te laten voeren door het onbekende.
Waardoor ze zich soms voelt als in een film, een boek, heel even.
Ze besluit dat ze van haar leven houdt.
En stapt in een diepe plas.



















zaterdag 26 januari 2013

Eeuwige frons

Ze staat voor mij in de rij bij Gate 4.
Klein, donkerbruine huidskleur, lange, zwarte krullen.
Mooi vrouwtje om te zien, op zich.
Fijn gebouwd met mooie, ronde billen.
Zo sta ik haar te observeren, in mij op te nemen.

Niet omdat ik verder niets te doen heb daar in die zoveelste wachtrij naar Rome.
Maar ze fascineert mij enorm.
En dan is er met name één onderdeel van haar dat mij er zwaar toe verleidt om in een staar te vallen.
Dat kinderlijk ongegeneerde aangapen, ik heb de neiging daartoe nogal eens en ik merk dat ik mij in dit geval echt moet inhouden.
Mijn ogen zetten zich steeds weer vast op dat ene punt.
Haar wenkbrauwen.
Tenminste, als je dat wenkbrauwen mag noemen.
Want mijn God.
Ze staat dichtbij, dus ik kan zien dat ze boven haar ogen van nature nauwelijks beschikt over beharing.
Het is dus niet zo dat ze zelf de hele boel heeft weggeplukt, geloof ik.
Nee, ze heeft ze gewoon niet.
Wenkbrauwen.
Ze wilde ze wel heel graag hebben.
Dus is ze zelf aan de slag gegaan.
Met zwarte verf, eyeliner, zoiets, heeft ze twee lange, zwarte strepen getrokken.
Ze glanzen een beetje en ze lopen veel te ver door.
En het ergste is, dat ze ze niet op de oorspronkelijke plek heeft gezet.
Maar zeker anderhalve centimeter erboven, waardoor je de randen van haar oogkassen duidelijk ziet liggen.
Ze is ook niet echt in staat om ze te bewegen.
Haar substituut wenkbrauwen staan in een vorm die haar gezicht in permanente staat van verbazing zet.
Een soort verwarde, Afrikaanse Pierrot.

Ik kan niet stoppen ernaar te kijken.
Hoe.
Kun je zoiets doen.
Hoe kun je jezelf in Godsnaam zo toetakelen, in de spiegel kijken en vervolgens vinden dat het goed is?

"Zo, ik zie eruit."
Jazeker.
Je ziet eruit.