zondag 1 mei 2011

Achter mij in de rij

Nee.
Nee.
Ja, ik ben ook moe.
Maar ik heb gewerkt tot 1 uur.
Jij hebt niet gewerkt tot 1 uur.
Nee.
Jij lag er al om 8 uur in.
Als jij ook tot 1 uur hebt gewerkt, dán mag je op mijn nek.

Fietsdolheid

Rome verkennen met de mountainbike is als het trotseren van een stenen jungle.
Een levensgevaarlijk maar uitdagend avontuur.
De fiets telt niet echt mee in het verkeer, er wordt geen rekening mee gehouden.
De wegen zijn voor de auto's, bussen en scooters.
De stoep is voor de voetgangers.
De fietsers...die moeten zich maar zien te redden.
Sommige stukken stoep zijn gemarkeerd als fietspad, maar die paden duren nooit lang en leiden me van het ene haakse bochtje naar de andere stoeprand.
Onderweg baan ik mij een weg door de ontelbare hoeveelheid gaten en bulten.
De boomwortels nemen de stoepen langzaam maar zeker in hun bezit, steeds meer.

Dus verplaats ik mij, dan weer via de stoep, dan weer over de autobaan.
Wurm ik mij langs schuifelende bejaarden en ronkende motors.
De weg voelt soms even heel prettig aan, glad geasfalteerd.
Een verademing voor mijn achterwerk.
Maar een groot gedeelte van de wegen bestaat uit hobbelige keitjes.
Die keitjes, de gaten, de bulten, de boomwortels, ze zorgen ervoor dat ik mij het grootste gedeelte van mijn rit staand op de trappers verplaats, zonder het zadel te raken.

Ik gebruik geen kaart.
In sommige delen van de stad ken ik een beetje de weg, maar de straten van Rome zijn verraderlijk.
Ze leiden je stiekem een onverwachte richting in en weg ben je.
Geen idee meer waar ik mij bevind.
Heerlijk is dat.
Ik improviseer mij een weg door een kluwen van auto's, toeristen, toeristen, auto's...
En ik zie wel waar ik uitkom.
Want de Tiber, die als een woest kolkende, maar immer betrouwbare rode draad door de stad kronkelt,
wacht geduldig tot ik hem weer opzoek.
De Tiber brengt mij altijd veilig thuis.

Thuis bij mijn gastheer.
Waar het verkeersgeluid door de luiken maar binnen sluimert, maar de stad verder afstand neemt van mij.
Voor rust.
Even slapen.
En vanavond drinken we en eten we al wat zalig is.
En zien we wel weer verder.

donderdag 21 april 2011

Rome

Machtige, prachtige stad
Je hebt ooit mijn hart gestolen
Stoere, sterke man
die mij zo stevig omarmt, telkens weer
Een macho die mij steeds weer om zijn vinger weet te winden
Je maakt me zo klein
Nietig voel ik mij bij jou

Ik kan het niet laten en moet weer naar je toe
Ook al hebben we het soms moeilijk gehad, jij en ik
Toen ik in mijn alleenzaamheid opgeslokt werd in jouw massa
met de zon op mijn schouders
als een last, om mij te laten voelen wie de sterkste was
Ja, jij dus
Wat was ik boos op jou
Wat haatte ik jou in die dagen

Het was de laatste keer dat we samen waren
Twee jaar geleden alweer
Maar onze haat-liefde verhouding zet zich voort
De boosheid is gezakt
Mijn verlangen naar jou begint weer op te wellen

En nu ik wederom alleen ben
is er weer plaats voor jou

Ik kom naar je toe, Rome
en geef me nogmaals aan je over


dinsdag 19 april 2011

Gewoon

Ik heb een heerlijke maaltijd voor me staan.
Spaghetti met iets van prei, kaas en hé...vijgen.

Links van mij zitten vier mensen.
Ze buiken uit.
Man en vrouw, met tegenover hen twee jongens.
Eén van de jongens heeft zich ooit eens verslikt in een dropje.
Bijna was hij gestikt.
Rechts van mij zitten twee vrouwen.
Van mijn leeftijd?
Of toch net iets ouder?
Eén van hen heeft net een nieuwe vriend.
Ze weet nog niet of hij van katten houdt.
En ze is nog niet aan kinderen toe.
Haar vriendin snapt dat.
Al snappend aait ze mijn hond.
De hele tijd.

Wat een gewone avond.
Op een warm terras in Eindhoven,
op een zomerachtig zwoele avond in april,
beleef ik een gewone avond.
Fijn, heerlijk, zalig zelfs.
Maar gewoon.

En toch ook weer niet.

(Ik wil iets schrijven over vijgen,
maar weet niet precies wat.
Denkend aan die vijgen kom ik tot een conclusie.
Als je jezelf zou mogen vergelijken met een vrucht, welke zou je dan zijn?

Ik denk dat ik een vijg ben.
Gewoon, en toch ook weer niet)